Liturgie
Liturgie 22 maart 2026 - Lijdenstijd
Inloop vanaf 10:30 uur
Aanvangstijd: 11:00 uur
Voorganger: Mw. J. Kruize uit Oudeschip
Oppas (Greetje) en kindernevendienst (José)
Koffie verzorgd door: familie van Gosliga
Organist: Johan Kramer
Welkom en mededelingen door ouderling
Uitleg schikking

Zingen: De vreugde voert ons naar dit huis, Lied 280
De vreugde voert ons naar dit huis,
waar ’t woord aan ons geschiedt.
God roept Zijn naam over ons uit
en wekt in ons het lied.
Dit huis van hout en steen, dat lang,
de stormen heeft doorstaan,
waar nog de wolk gebeden hangt,
van wie zijn voorgegaan.
Zal dit een huis, een plaats zijn waar,
de hemel open gaat,
waar Gij ons met Uw eng’len troost,
waar Gij U vinden laat.
Onthul ons dan Uw aangezicht,
Uw naam, die met ons gaat
en heilig ons hier met Uw licht,
Uw voorbedachte raad.
Dit huis slijt met ons aan de tijd,
maar blijven zal de kracht,
die wie hier schuilen verder leidt,
tot alles is volbracht.
Bemoediging en groet
Bidden
Kindermoment met ‘Wij gaan nu voor even uit elkaar’
Bijbellezing 1: Genesis 2: 7
Toen maakte de HEER God de mens. Hij vormde hem uit stof, uit aarde, en blies hem levensadem in de neus. Zo werd de mens een levend wezen.
Zingen: Aan U behoort, o Heer der Heren, Lied 978
Aan U behoort, o Heer der heren,
de aarde met haar wel en wee
de steile bergen, koele meren
het vaste land, de onzeekre zee.
Van U getuigen dag en nacht
Gij hebt ze heerlijk voortgebracht.
Gij roept het jonge leven wakker,
een tuin bloeit rond het open graf.
Er ruisen halmen op de akker
waar zich het zaad verloren gaf.
En vele korrels vormen saam
een kostbaar brood in uwe naam.
Laat dan mijn hart U toebehoren
en laat mij door de wereld gaan
met open ogen, open oren,
om al uw tekens te verstaan.
Dan is het aardse leven goed,
omdat de hemel mij begroet.
Bijbellezing 2: Ezechiel 37: 1-14
1Ik werd opnieuw door de hand van de HEER gegrepen. Zijn geest voerde mij mee en Hij zette mij neer in een dal vol beenderen. 2Ik moest er aan alle kanten omheen lopen, en zo zag ik dat er verspreid over het dal heel veel beenderen lagen, die helemaal waren uitgedroogd. 3De HEER vroeg mij: ‘Mensenkind, kunnen deze beenderen weer tot leven komen?’ Ik antwoordde: ‘HEER, mijn God, dat weet U alleen.’ 4Toen zei Hij: ‘Profeteer, en zeg tegen deze beenderen: “Dorre beenderen, luister naar de woorden van de HEER! 5Dit zegt God, de HEER: Beenderen, Ik ga jullie adem geven zodat jullie tot leven komen. 6Ik zal jullie pezen geven, vlees op jullie laten groeien en jullie met huid overtrekken. Ik zal jullie adem geven zodat jullie tot leven komen. Dan zullen jullie beseffen dat Ik de HEER ben.”’
7Ik profeteerde zoals mij was opgedragen. Zodra ik dat deed hoorde ik een geluid, er klonk een geruis van botten die naar elkaar toe bewogen en zich aaneenvoegden. 8Ik zag pezen zich aanhechten en vlees groeien, ik zag hoe er huid over de botten heen trok, maar ademen deden ze nog niet. 9Toen zei Hij tegen mij: ‘Profeteer tegen de wind, profeteer, mensenkind, en zeg tegen de wind: “Dit zegt God, de HEER: Kom uit de vier windstreken, wind, en blaas in deze doden, zodat ze weer gaan leven.”’ 10Ik profeteerde zoals Hij mij gezegd had, en de lichamen werden met adem gevuld. Ze kwamen tot leven en gingen op hun voeten staan: een onafzienbare menigte.
11En Hij zei tegen mij: ‘Mensenkind, deze beenderen zijn het volk van Israël. Het zegt: “Onze botten zijn verdord, onze hoop is vervlogen, onze levensdraad is afgesneden.” 12Profeteer daarom en zeg tegen hen: “Dit zegt God, de HEER: Mijn volk, Ik zal jullie graven openen, Ik laat jullie uit je graven komen en Ik zal jullie naar het land van Israël brengen. 13Mijn volk, als Ik je graven open en jullie uit je graven laat komen, zullen jullie beseffen dat Ik de HEER ben. 14Ik zal jullie mijn adem geven zodat jullie weer tot leven komen, Ik zal jullie in je eigen land laten wonen, en jullie zullen beseffen dat Ik de HEER ben. Wat Ik gezegd heb, zal Ik doen – zo spreekt de HEER.”’
Zingen: Vernieuw Gij mij, Lied 834
Vernieuw Gij mij, o eeuwig Licht!
God, laat mij voor uw aangezicht,
geheel van U vervuld en rein,
naar lijf en ziel herboren zijn.
Schep, God, een nieuwe geest in mij,
een geest van licht, zo klaar als Gij;
dan doe ik vrolijk wat Gij vraagt
en ga de weg die U behaagt.
Wees Gij de zon van mijn bestaan,
dan kan ik veilig verder gaan,
tot ik U zie, o eeuwig Licht,
van aangezicht tot aangezicht.
Bijbellezing 3: Johannes 11: 1-6 en 17 en 20-27 en 32-44
1Er was iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanië, het dorp waar Maria en haar zus Marta woonden – 2dat was de Maria die Jezus met olie gezalfd heeft en zijn voeten met haar haar heeft afgedroogd; de zieke Lazarus was haar broer. 3De zussen stuurden iemand naar Jezus met de boodschap: ‘Heer, uw vriend is ziek.’ 4Toen Jezus dit hoorde zei Hij: ‘Deze ziekte loopt niet uit op de dood, maar op de eer van God, zodat de Zoon van God geëerd zal worden.’ 5Jezus hield veel van Marta en haar zus, en van Lazarus. 6Maar toen Hij gehoord had dat Lazarus ziek was, bleef Hij toch nog twee dagen waar Hij was.
17Toen Jezus daar aankwam, hoorde Hij dat Lazarus al vier dagen in het graf lag.
20Toen Marta hoorde dat Jezus onderweg was ging ze Hem tegemoet, terwijl Maria thuisbleef. 21Marta zei tegen Jezus: ‘Als U hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn. 22Maar zelfs nu weet ik dat God U alles zal geven wat U vraagt.’ 23Jezus zei: ‘Je broer zal uit de dood opstaan.’ 24‘Ja,’ zei Marta, ‘ik weet dat hij bij de opstanding op de laatste dag zal opstaan.’ 25Maar Jezus zei: ‘Ik ben de opstanding en het leven. Wie in Mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft, 26en ieder die leeft en in Mij gelooft zal nooit sterven. Geloof je dat?’ 27‘Ja, Heer,’ zei ze, ‘ik geloof dat U de messias bent, de Zoon van God die naar de wereld zou komen.’
32Zodra Maria op de plek kwam waar Jezus was en Hem zag, viel ze aan zijn voeten neer. Ze zei: ‘Als U hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn!’ 33Jezus zag hoe zij en de Joden die bij haar waren weeklaagden, en Hij ergerde zich. Diep bewogen 34vroeg Hij: ‘Waar hebben jullie hem neergelegd?’ Ze zeiden: ‘Kom maar kijken, Heer.’ 35Jezus begon te huilen, 36en de Joden zeiden: ‘Wat heeft Hij veel van hem gehouden!’ 37Maar er werd ook gezegd: ‘Hij heeft de ogen van een blinde geopend, Hij had nu toch ook de dood van Lazarus kunnen voorkomen?’ 38Weer ergerde Jezus zich. Hij liep naar het graf, een spelonk met een steen voor de opening. 39Hij zei: ‘Haal de steen weg.’ Marta, de zus van de dode, zei: ‘Maar Heer, de stank! Hij ligt er al vier dagen!’ 40Jezus zei tegen haar: ‘Ik heb je toch gezegd dat je Gods grootheid zult zien als je gelooft?’ 41Toen haalden ze de steen weg. Daarop keek Hij omhoog en zei: ‘Vader, Ik dank U dat U Mij hebt verhoord. 42U verhoort Mij altijd, dat weet Ik, maar Ik zeg dit ter wille van al deze mensen hier, opdat ze zullen geloven dat U Mij gezonden hebt.’ 43Daarna riep Hij luid: ‘Lazarus, kom naar buiten!’ 44De dode kwam tevoorschijn, zijn handen en voeten in linnen gewikkeld, en zijn gezicht bedekt door een doek. Jezus zei tegen de omstanders: ‘Maak de doeken los, en laat hem gaan.’
Zingen: Ontwaak, gij die slaapt en sta op uit de dood, Gezang 462
Ontwaak, gij die slaapt en sta op uit de do“n,
en Christus zal over u lichten!
Zo wekt u, zo dringt u als broeder Gods Zoon,
eer Hij u als rechter komt richten.
Ontwaak en sta op, het gevaar is zo groot!
Wie kiest, o verdwaasde, voor 't leven de dood?
Ontwaak, gij die slaapt in de zonde, met spoed,
de nacht is zo lang reeds verdwenen!
Het licht der genade, met blijdschap begroet,
heeft de aarde reeds eeuwen beschenen.
En groots is uw roeping en heilig uw taak,
en de uren zijn weinig, ontwaak dan, ontwaak!
Overdenking
Luister of meezinglied: Op die dag, Opwekking 818
Geloofsbelijdenis van Nicea:
Wij geloven in één God, de almachtige Vader, Schepper van de hemel en de aarde, van alle zichtbare en onzichtbare dingen. En in één Here Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God, geboren uit de Vader vóór alle eeuwen, God uit God, Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God; geboren, niet geschapen, één van wezen met de Vader; door Hem zijn alle dingen geworden. Ter wille van ons mensen en van ons behoud is Hij neergedaald uit de hemel en vlees geworden door de Heilige Geest uit de maagd Maria en is een mens geworden. Hij is ook voor ons gekruisigd onder Pontius Pilatus, heeft geleden en is begraven. Op de derde dag is Hij opgestaan overeenkomstig de Schriften. Hij is opgevaren naar de hemel, zit aan de rechterhand van de Vader en zal in heerlijkheid weerkomen om te oordelen de levenden en de doden. En zijn rijk zal geen einde hebben. En in de Heilige Geest, die Here is en levend maakt, die van de Vader en de Zoon uitgaat, die samen met de Vader en de Zoon aangebeden en verheerlijkt wordt, die gesproken heeft door de profeten. En één heilige, algemene en apostolische kerk. Wij belijden één doop tot vergeving van de zonden. Wij verwachten de opstanding van de doden en het leven van de komende eeuw. Amen.
Zingen: Genade zo oneindig groot, Opwekking 688
Genade, zo oneindig groot
dat ik, die ’t niet verdien
het leven vond, want ik was dood
en blind, maar nu kan ‘k zien
Want Jezus droeg mijn zondelast
en tranen aan het kruis.
Hij houdt mij door genade vast
en brengt mij veilig thuis.
Als ik daar in zijn heerlijkheid
mag stralen als de zon
dan prijs ik Hem in eeuwigheid
dat ik genade vond
Bidden
Collecte
Zingen: Ga nu heen in vrede, Opwekking 43
Ga nu heen in vrede
Ga en maak het waar
Wat wij hier beleden samen met elkaar
Aan uw daag'lijks leven
Uw gezin uw werk
Wilt u daaraan geven
Dan bent u Gods kerk
Ga nu heen in vrede
Ga en maak het waar
Ga nu heen in vrede
Ga en maak het waar
Wat wij hier beleden samen met elkaar
Neem van hieruit vrede
Vrede mee naar huis
Dan is vanaf heden
Christus bij u thuis
Ga nu heen in vrede
Ga en maak het waar
Zegen
