Orde voor de dienst van Zondag 30 maart 2025
Vierde zondag in de 40-dagen tijd.
Inloop vanaf 10:30 uur
Aanvangstijd: 11:00 uur
Voorganger: Dhr. J. van der Meer uit Drachten
Oppas
Koffie verzorgd door: Fam. Bakker
Organist: Piet van Zuiden
Orgelspel/muziek voor de dienst
Mededelingen namens de kerkenraad
Beamerlied ter aanvang Opwekking 192 (Ik kom Uw heiligdom binnen)
Stil gebed, Votum en Groet
Inleiding op de dienst
NLB 837: 1, 2 en 3 (Iedereen zoekt U, jong of oud”
1 Iedereen zoekt U, jong of oud,
speurend langs allerlei wegen:
kronkelig, vreemd, of recht, vertrouwd -
meester, waar kom ik U tegen?
Eens vindt U ons, bij dag of nacht,
moe van onszelf en zonder karcht,
dorstend naar liefde en zegen.
2 Volgen wij, Heiland, niet uw spoor:
laten wij anderen bloeden,
geven wij pijn en angsten door -
neem ons dan onder uw hoede.
Spreek uw genezend woord vol macht,
dan krijgt ons leven nieuwe kracht.
Spreek, dan keert alles ten goede.
3 Heer, als ons denken U ontkent,
kan ons de leegte benauwen.
Als onze hand uw schepping schendt,
wilt U ons dan nog vertrouwen?
Twijfel of hoogmoed, onverstand -
neem ons, uw mensen, bij de hand.
Laat ons uw schoonheid aanschouwen.
Gebed
Lezing van de Wet en bemoediging
ELB 241: 1, 2 en 3 (Wees stil voor het Aangezicht van God)
1 Wees stil voor het aangezicht van God,
want heilig is de Heer.
aanbid Hem met eerbied en ontzag
en kniel nu voor Hem neer;
die zelf geen zonde kent
en ons genade schenkt.
Wees stil voor het aangezicht van God,
want heilig is de Heer.
2 Wees stil, want de heerlijkheid van God
omgeeft ons in dit uur.
Wij staan nu op heilige grond,
waar Hij verschijnt met vuur;
een eeuwigdurend licht
straalt van zijn aangezicht.
Wees stil, want de heerlijkheid van God
omgeeft ons in dit uur.
3 Wees stil, want de kracht van onze God
daalt neer op dit moment.
De kracht van de God die vergeeft
en ons genezing brengt;
niets is onmogelijk
voor wie gelooft in Hem.
Wees stil, want de kracht van onze God
daalt neer op dit moment.
Gebed om de Heilige Geest
1e Lezing Psalm 34:1-11 (NBV21)
1 Van David, toen hij zich aan het hof van Abimelech als een krankzinnige voordeed en pas wegging toen deze hem verjoeg.
2 De HEER wil ik prijzen, elk uur van de dag, mijn mond is altijd vol van zijn lof.
3 Laat mijn leven een loflied zijn voor de HEER, de nederigen zullen het met vreugde horen.
4 Roem met mij de grootheid van de HEER, sluit u aan om zijn naam te verheffen.
5 Ik zocht de HEER en Hij gaf antwoord, Hij heeft mij van alle angst bevrijd.
6 Wie naar Hem opzien, stralen van vreugde,schaamte zal hun gezicht niet kleuren.
7 In mijn verdrukking riep ik tot de HEER, Hij heeft geluisterd en mij uit de nood gered.
8 De engel van de HEER waakt over wie Hem vrezen, en bevrijdt hen.
9 Proef en geniet de goedheid van de HEER, gelukkig de mens die bij Hem schuilt.
10 Vromen, heb ontzag voor de HEER: wie Hem vreest lijdt geen gebrek.
11 Jonge leeuwen lopen hongerig rond, wie de HEER zoekt, ontbreekt het aan niets.
NLB 62: 1 en 4 (Mijn ziel is stil)
1 Mijn ziel is stil tot God mijn Heer,
van Hem verwacht ik altijd weer,
mijn heil, op Hem toch kan ik bouwen.
Ik wankel niet, want Hij staat vast,
mijn toevlucht, als het water wast,
mijn rots, mijn enige vertrouwen.
4 Wees stil, mijn ziel, tot God uw heer,
Hij immers schenkt u altijd weer
Zijn heil,- op Hem toch kunt gij bouwen.
Wankel dan niet, want Hij staat vast,
Hij is, ook als het onheil wast,
Uw rots, uw enige vertrouwen.
2e Lezing Lucas 15:11-32
11 Vervolgens zei Hij: ‘Iemand had twee zonen. 12 De jongste van hen zei tegen zijn vader: “Vader, geef mij het deel van uw bezit waarop ik recht heb.” De vader verdeelde zijn vermogen onder hen. 13 Na enkele dagen verzilverde de jongste zoon zijn bezit en reisde af naar een ver land, waar hij een losbandig leven leidde en zijn vermogen verkwistte. 14 Toen hij alles had uitgegeven, werd dat land getroffen door een zware hongersnood, en begon hij gebrek te lijden. 15 Hij trok eropuit en verhuurde zich aan een van de inwoners van dat land, die hem op het veld zijn varkens liet hoeden. 16 Hij had graag zijn maag willen vullen met de peulen die de varkens te eten kregen, maar niemand gaf ze hem. 17 Toen kwam hij tot zichzelf en dacht: De dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed, en ik kom hier om van de honger. 18 Ik zal naar mijn vader gaan en tegen hem zeggen: “Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, 19 ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden; behandel mij als een van uw dagloners.” 20 Hij vertrok meteen en ging op weg naar zijn vader.
Zijn vader zag hem in de verte al aankomen. Hij kreeg medelijden en rende op zijn zoon af, viel hem om de hals en kuste hem. 21 “Vader,” zei zijn zoon tegen hem, “ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden.” 22 Maar de vader zei tegen zijn knechten: “Haal vlug het mooiste gewaad en trek het hem aan, doe hem een ring aan zijn vinger en geef hem sandalen. 23 Breng het gemeste kalf en slacht het. Laten we eten en feestvieren, 24 want deze zoon van mij was dood en is weer tot leven gekomen, hij was verloren en is teruggevonden.” En ze begonnen feest te vieren.
25 De oudste zoon was op het veld. Toen hij naar huis ging en al dichtbij was, hoorde hij muziek en gedans. 26 Hij riep een van de knechten bij zich en vroeg wat dat te betekenen had. 27 De knecht zei tegen hem: “Uw broer is thuisgekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen.” 28 Hij werd woedend en wilde niet naar binnen gaan, maar zijn vader kwam naar buiten en probeerde hem tot andere gedachten te brengen. 29 Hij zei tegen zijn vader: “Al jarenlang werk ik voor u en nooit ben ik u ongehoorzaam geweest als u mij iets opdroeg, en u hebt mij zelfs nooit een geitenbokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. 30 Maar nu die zoon van u is thuisgekomen, die uw vermogen heeft verkwanseld aan de hoeren, hebt u voor hem het gemeste kalf geslacht.” 31 Zijn vader zei tegen hem: “Mijn jongen, jij bent altijd bij me, en alles wat van mij is, is van jou. 32 We kunnen toch alleen maar feestvieren en blij zijn? Want je broer was dood en is weer tot leven gekomen, hij was verloren en is teruggevonden.”’
ELB 235: 1 en 3 (Neem Heer mijn beide handen)
1 Neem, Heer, mijn beide handen en leid Uw kind,
tot ik aan d' eeuw'ge stranden de ruste vind!
Te zwaar valt m' elke schrede, als 'k U verlaat,
o, neem mij met U mede, daar waar Gij gaat.
3 En blijft m' ook soms verborgen Uw grote macht,
Gij voert mij tot de morgen, ook door de nacht.
Neem dan mijn beide handen en leid Uw kind,
tot ik aan d' eeuw'ge stranden de ruste vind.
Verkondiging
Beamerlied: “Genade, zo oneindig groot”
Inleiding op de geloofsbelijdenis
Geloofsbelijdenis gezongen
Dankgebed en Voorbeden
Collecte
Slotlied NLB 536: 1, 2 en 3 (Alles wat over ons geschreven is)
1 Alles wat over ons geschreven is,
gaat Gij volbrengen in de veertig dagen;
de tien geboden en de veertig slagen,
dit hele leven dat geen leven is.
2 De schepping die voor ons gesloten was
ontsluit Gij weer, Gij opent onze ogen.
O zoon van David, wees met ons bewogen,
het vuur van bloed en ziel brandde tot as.
3 Maar, Heer, de haard van uw aanwezigheid
zal in ons hart een vreugdevuur ontsteken;
Gij waart met ons, Gij zult ons niet ontbreken,
Gij hogepriester in der eeuwigheid.
Zegen en wegzending
Kerk
Banknr. NL66RABO 033.33.09.103
of
scan de QR code
Diaconie en Zending
Banknr. NL64RABO 033.33.65.690