Liturgie

Liturgie 23 augustus 2026

Liturgie PKN Munnekezijl-Lauwerzijl 23-08-2026         

Inloop vanaf 10:30 uur 
Aanvangstijd: 11:00 uur 
Voorganger: mw. A. Haaima uit Damwoude
Oppas (Melindi) zomernevendienst (Aukine)
Koffie verzorgd door: familie van Gosliga
Organist: Johan Kramer

Welkom, mededelingen door o.v.d.

Aanvangslied –  NLB 215: 1,3,4,7 Ontwaak, o mens, de dag breekt aan
1       Ontwaak, o mens, de dag breekt aan,

die u Gods liefde doet verstaan

als nieuw, nu gij door slaap en nacht

weer 't leven vindt, verstand en kracht.

 

3       Al wat geliefd is en vertrouwd,

het wordt voor wie Gods licht aanschouwt

met glans en heerlijkheid verguld,

want het bestaat in Gods geduld.

 

4       Wie van zich afziet naar God toe,

loopt in het licht en wordt niet moe.

Het schijnsel van de hemel gaat

over de dag van vroeg tot laat.

 

7       Maak in uw liefd' ons, Heer, bereid

voor licht en vreed' in eeuwigheid!

En dat ons leven ied're dag

als ons gebed U loven mag.


Stil gebed


Votum en groet


Lied – ELB 381: 1,2,3               Daar ruist langs de wolken
1       Daar ruist langs de wolken een lieflijke Naam,

die hemel en aarde verenigt te zaam.

Geen naam is er zoeter en beter voor ’t hart,

Hij balsemt de wonden en heelt alle smart.

Kent gij, kent gij, die Naam nog niet?

Die Naam draagt mijn Heiland, mijn lust en mijn lied.

 

2       Die Naam is naar waarheid mijn Jezus ook waard,

want Hij kwam om zalig te maken op aard’.

Zo lief had Hij zondaars, dat Hij voor hen stierf

en zo, door Zijn bloed, hen genade verwierf.

Kent gij, kent gij, die Jezus niet?

Die om ons te redden de hemel verliet.

 

3       Eens buigt zich ook alles voor Jezus in ‘t stof

en engelen zingen voortdurend Zijn lof.

O, als wij door Jezus, verheerlijkt eens staan,

dan heffen wij juichend de jubeltoon aan:

Jezus, Jezus, Uw Naam zij d’eer,

want Gij zijt der mensen en engelen Heer.

Jezus, Jezus, Uw Naam zij d’eer,

want Gij zijt der mensen en engelen Heer.


Leefregel – Mattheus 6: 19-34 (Vensterbijbel
Verzamel geen schatten op de aarde, waar motten en roest ze aantasten en waar dieven inbreken en ze stelen.  Verzamel liever schatten in de hemel, waar ze niet door motten en roest aangetast worden en waar geen dieven inbreken en stelen.  Want waar je schat is, daar zal ook je hart zijn.
De lamp van het lichaam is het oog. Als je oog zuiver is, wordt je hele lichaam verlicht.  Maar als je oog duister is, wordt je hele lichaam verduisterd. En als het licht in je verduisterd is, hoe groot zal dan de duisternis zijn!
Niemand kan twee heren dienen, want óf hij zal niets geven om de een en de ander liefhebben, óf hij zal toegewijd zijn aan de een en de ander minachten. Je kunt niet God dienen én de Mammon.
Daarom zeg Ik jullie: maak je geen zorgen over je leven, over wat je moet eten en drinken; of over je lichaam, over wat je moet aantrekken. Het leven is toch meer dan het voedsel? En het lichaam is toch meer dan de kleding?  Kijk eens naar de vogels: ze zaaien niet, ze oogsten niet en ze slaan niets op in schuren. Jullie hemelse Vader voedt ze. Zijn jullie niet veel kostbaarder dan zij?  Wie van jullie kan door bezorgdheid ook maar één el aan de lengte van zijn leven toevoegen?  En waarom maken jullie je zorgen over kleding? Kijk eens naar de lelies in het veld, hoe ze groeien. Ze werken niet en weven niet,  maar Ik zeg jullie dat zelfs koning Salomo in al zijn pracht niet zo schitterend gekleed ging als zij.  Als God het gras – dat er maar één dag staat omdat het de volgende dag als brandstof in de oven wordt gegooid – zo bekleedt, zou Hij jullie dan niet zo veel te meer kleden, kleingelovigen?
Vraag je dus niet bezorgd af: 'Wat moeten we eten?' of: 'Wat moeten we drinken?' of: 'Wat moeten we aantrekken?'  Want naar al die dingen zijn de andere volken op zoek. Jullie hemelse Vader weet wel dat jullie dat alles nodig hebben.  Maar zoek eerst het Koninkrijk van God en zijn rechtvaardigheid, dan zullen al deze dingen je erbij gegeven worden.  Maak je dus geen zorgen over de dag van morgen, want de dag van morgen brengt zijn eigen zorgen met zich mee. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.


Lied –  NLB 978: 1,2,3,4 Aan U behoort, o Heer der heren
1       Aan U behoort, o Heer der heren,
de aarde met haar wel en wee,
de steile bergen, koele meren,
het vaste land, de onzekere zee.
Van U getuigen dag en nacht.
Gij hebt ze heerlijk voortgebracht.

2       Gij roept het jonge leven wakker,
een tuin bloeit rond het open graf.
Er ruisen halmen op de akker
waar zich het zaad verloren gaf.
En vele korrels vormen saam
een kostbaar brood in uwe naam.

3       Gij hebt de bloemen op de velden
met koninklijke pracht bekleed.
De zorgeloze vogels melden
dat Gij uw schepping niet vergeet.
’t Is alles een gelijkenis
van meer dan aards geheimenis.
 
4       Laat dan mijn hart U toebehoren
en laat mij door de wereld gaan
met open ogen, open oren
om al uw tekens te verstaan.
Dan is het aardse leven goed,
omdat de hemel mij begroet.

Gebed om Gods Geest


Kinderlied: We gaan voor even uit elkaar


Kinderen gaan naar de zomernevendienst.


1e Schriftlezing     Exodus 3: 1-14 (HSV)
1. En Mozes hoedde het kleinvee van zijn schoonvader Jethro, de priester van Midian. Hij dreef het kleinvee tot voorbij de woestijn, en hij kwam bij de berg van God, de Horeb. 2. En de Engel van de HEERE verscheen hem in een vuurvlam uit het midden van een  doornstruik. Hij keek toe, en zie, de doornstruik brandde in het vuur, maar de doornstruik werd niet verteerd. 3. Mozes zei: Laat ik nu naar dat indrukwekkende verschijnsel gaan kijken, waarom de doornstruik niet verbrandt. 4. Toen de HEERE zag dat hij ging kijken, riep God tot hem uit het midden van de doornstruik en zei: Mozes, Mozes! Hij zei: Zie, hier ben ik!
5. En Hij zei: Kom hier niet dichterbij. Doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats waarop u staat, is heilige grond. 6. Hij zei verder: Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob. En Mozes bedekte zijn gezicht, want hij was bevreesd God aan te kijken. 7. De HEERE zei: Ik heb duidelijk de onderdrukking van Mijn volk, dat in Egypte is, gezien en heb hun geschreeuw om hulp vanwege hun slavendrijvers gehoord. Voorzeker, Ik ken hun leed. 8. Daarom ben Ik neergekomen om het volk te redden uit de hand van de Egyptenaren, en het te leiden uit dit land naar een goed en ruim land, naar een land dat overvloeit van melk en honing, naar het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, de Amorieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten.
9. Nu dan, zie, het geschreeuw om hulp van de Israëlieten is tot Mij gekomen. En Ik heb ook de onderdrukking gezien waarmee de Egyptenaren hen onderdrukken. 10. Nu dan, ga op weg. Ik zal u naar de farao zenden, en u zult Mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte leiden.
11. Mozes zei echter tegen God: Wie ben ik, dat ik naar de farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden? 12. En Hij zei: Voorzeker, Ik zal met u zijn, en dit zal voor u het teken zijn dat Ík u gezonden heb: Als u het volk uit Egypte geleid hebt, zult u God dienen op deze berg. 13. En Mozes zei tegen God: Zie, wanneer ik bij de Israëlieten kom en tegen hen zeg: De God van uw vaderen heeft mij naar u toe gezonden, en zij mij zeggen: Wat is Zijn Naam? Wat moet ik dan tegen hen zeggen? 14. En God zei tegen Mozes: IK BEN DIE IK BEN. Ook zei Hij: Dit moet u tegen de Israëlieten zeggen: IK BEN heeft mij naar u toe gezonden.


Lied – NLB Psalm 134:1,2,3     Gij dienaars aan de Heer gewijd
1       Gij dienaars aan de Heer gewijd,
zegen zijn naam te allen tijd.
Gij die des daags zijn gunst verwacht,
zegen zijn naam ook in de nacht.

 

2       Die in het huis des Heren zijt,
zegen zijn naam en majesteit,
zing tot zijn eer met luider stem
en hef uw handen op naar Hem.

3       Uit Sion, aan de Heer gewijd,
zegene u zijn heiligheid.
Hij die hemel en aarde schiep,
Hij is 't die u bij name riep.


2e Schriftlezing             Handelingen 9: 1-19 (HSV)
1. Saulus nu, die tegen de discipelen van de Heere nog steeds brieste van dreiging en moord, ging naar de hogepriester toe. 2. en vroeg van hem brieven voor Damascus, gericht aan de synagogen, opdat, als hij er enigen zou vinden die van die Weg waren, zowel mannen als vrouwen, hij die geboeid naar Jeruzalem zou brengen. 3. En terwijl hij onderweg was, gebeurde het dat hij dicht bij Damascus kwam. En plotseling omscheen hem een licht vanuit de hemel, 4. en toen hij op de grond gevallen was, hoorde hij een stem die tegen hem zei: Saul, Saul, waarom vervolgt u Mij? 5. En hij zei: Wie bent U, Heere? En de Heere zei: Ik ben Jezus, Die u vervolgt. Het is hard voor u, met de hielen tegen de prikkels te slaan. 6. En hij zei, bevend en verbaasd: Heere, wat wilt U dat ik doen zal? En de Heere zei tegen hem: Sta op en ga de stad in en daar zal u gezegd worden wat u moet doen. 7. En de mannen die met hem meereisden, stonden sprakeloos, want zij hoorden wel de stem, maar zagen niemand. 8. En Saulus stond op van de grond; en toen hij zijn ogen opendeed, zag hij niemand. En zij leidden hem bij de hand en brachten hem naar Damascus. 9. En gedurende drie dagen kon hij niet zien, en at en dronk hij niet.
10. En er was een zekere discipel in Damascus van wie de naam Ananias was; en de Heere zei tegen hem in een visioen: Ananias! En hij zei: Zie, hier ben ik, Heere. 11. En de Heere zei tegen hem: Sta op en ga naar de straat die de Rechte genoemd wordt, en vraag in het huis van Judas naar iemand van wie de naam Saulus is, uit Tarsus, want zie, hij bidt, 12. en hij heeft in een visioen gezien dat een man van wie de naam Ananias was, binnenkwam en hem de hand oplegde, opdat hij weer ziende zou worden. 13. Ananias antwoordde echter: Heere, ik heb van velen over deze man gehoord hoeveel kwaad hij Uw heiligen in Jeruzalem gedaan heeft; 14. en hij heeft hier volmacht van de overpriesters om allen gevangen te nemen die Uw Naam aanroepen. 15. Maar de Heere zei tegen hem: Ga, want deze is voor Mij een  uitverkoren instrument om Mijn Naam te brengen naar de heidenen en de koningen en de Israëlieten. 16. Want Ik zal hem laten zien hoeveel hij moet lijden voor Mijn Naam. 17. En Ananias ging heen en ging het huis binnen; en na hem de handen opgelegd te hebben, zei hij: Saul, broeder, de Heere heeft mij gezonden, namelijk Jezus, Die u verschenen is op de weg waarlangs u gekomen bent, opdat u weer ziende zou worden en met de Heilige Geest vervuld zou worden. 18. En meteen vielen hem als het ware schellen van de ogen, en onmiddellijk werd hij weer ziende, en hij stond op en werd gedoopt. 19. En toen hij voedsel genomen had, sterkte hij aan. En Saulus verbleef enige dagen bij de discipelen in Damascus.


Lied –  NLB 723: 1,2                Waar God de Heer Zijn schreden zet
1       Waar God de Heer zijn schreden zet

daar wordt de mens, van dwang gered,

weer in het licht geheven.

Als ’s Heren woord weerklinkt met macht

wordt aan het volk dat Hem verwacht

de ware troost gegeven.

Zijn Geest weerstaat de valse schijn

en schrijft in harten het geheim

van ’s Vaders grote daden.

Zo leven wij om Christus’ wil

te allen tijd gerust en stil

alleen van zijn genade.

 

2       O Heer, uw onweerstaanbaar woord

drijft rusteloos de eeuwen voort

wat mensen ook verzinnen.

En waar de weg onvindbaar scheen

mochten wij door geloof alleen

de tocht opnieuw beginnen.

Gij hebt de vaderen bevrijd

en uit het diensthuis uitgeleid

naar ’t land van melk en honing.

Hervorm, herschep ook ons geslacht,

opdat het door de wereldnacht
de weg vindt naar uw woning.


Preek


Lied – ELB 246: 1,2,3               Ik bouw op U

1       Ik bouw op U,

Mijn Schild en mijn Verlosser.

Niet eenzaam ga ik op de vijand aan,

Sterk in Uw kracht gerust in Uw bescherming.

Ik bouw op U en ga in Uwe naam,

Sterk in Uw kracht gerust in Uw bescherming.

Ik bouw op U en ga in Uwe naam.

 

2       Gelovend ga ik eigen zwakheid voelen,

En telkens meer moet ik Uw kracht verstaan.

Toch rijst in mij een lied van overwinning,

Ik bouw op U en ga in Uwe naam.

Toch rijst in mij een lied van overwinning,

Ik bouw op U en ga in Uwe naam.

 

3       Ik bouw op U,

Mijn Schild en mijn Verlosser.

Gij voert de strijd, de huld' is U gewijd.

In 't laatste uur zal 'k zegevierend ingaan,

In rust met U die mij hebt voortgeleid.

In 't laatste uur zal 'k zegevierend ingaan,

In rust met U die mij hebt voortgeleid.

 

Dankgebed en voorbede


Collecte


Slotlied – Joh.de Heer 205: 1,2,3,4     Rijst op, rijst op voor Jezus
1       Rijst op, rijst op voor Jezus!
Gij helden van het kruis,
Verhoogt Zijn krijgsbanieren,
Te midden van ’t gedruisch.
Door strijd tot d’ overwinning
Leidt Jezus keer op keer;
Tot ied’re vijand valle,
Voor Zijne voeten neêr.


2       Rijst op, rijst op voor Jezus!
Nu ’t krijgsgeschal gehoord,
Begeeft u in het strijdperk,
Ziet, Jezus leidt u voort;
Gij strijders, zijt dan moedig,
Weerstaat de boze macht,
Hij kan niet overwinnen,
Want Jezus geeft u kracht.


3       Rijst op, rijst op voor Jezus!
Steun op Zijn kracht alleen,
Uw eigen arm is macht’loos,
Hoe groot uw kracht ook scheen.
„Doet aan Gods wapenrusting”
En waakt en bidt en strijdt,
Roept plicht u in gevaren,
Gehoorzaamt t’ allen tijd!



4       Rijst op, rijst op voor Jezus!
De strijd is kort van duur;
Na al het krijgsgekletter,
Komt ’t overwinningsuur;
Aan hen, die overwinnen,
Geeft Hij de zegekroon;
Zij zullen met Hem heerschen
voor eeuwig in Zijn troon.


Zegen (met gezongen amen) 

terug